
Column De Buitenstaander: Bal
OpinieIk zat Indiaas te eten aan de rand van de Arnhemse binnenstad. Het was rond vijven. De kantoren gingen dicht. Er kwam veel publiek langs, een bonte mengeling van mensen die ergens vandaan kwamen of ergens naartoe gingen.
Pal voor mijn wankele tafeltje lag een glimmende rode plastic bal. Bijna iedereen keek ernaar. Een enkeling deed er ter plekke een trucje mee, maar daarna bleef de bal dan weer roerloos liggen. ‘Iedereen wordt vrolijk van een bal,’ zei een vlotte vrouw tegen haar zoontje. Dat maakte geen aanstalten om mama te imponeren met een dubbele schaar of een pirouetje à la Zidane.
Ik was dit tafereeltje in mijn telefoon aan het neertikken toen er ineens een ijselijke gil klonk. Het bleek enthousiasme te zijn. De bal werd weggetikt door een blond peuterjongetje, dat daarna door zijn knieën zakte en keek alsof de bal zeker driehonderdduizendmiljoenvier meter verderop zou landen. Zijn vader zag mijn schrik. ‘Van jou?’ vroeg hij geamuseerd. ‘Nee,’ zei ik glimlachend. Ik peuzelde verder aan mijn vegetable biryani. Iemand liep voorbij in een baggy T-shirt met op zijn rug: Your pirateship can eat a bag of dicks. Ik moest drie keer kijken of ik het wel goed zag.
Naast de parkeerkplaats zat restaurant de Ark van Noach. Turkse specialiteiten & Pizza’s, stond er op het raam. Je zou denken dat ze met zo’n naam elk dier op de menukaart zouden hebben staan. Maar nee. Ineens kwam de bal weer aanrollen. Zo, uit het niets. Rare bal. Ik had geen schop, geen tikkie gehoord. ’t Bolle ding deed me denken aan rode die ballon uit de griezelfilm It.
Intussen liep een vrouw met hele lange benen voorbij, twee hazewindhonden voor zich uit aan de lijn. Ze droeg een zwarte jumpsuit met een witte kraag. Haar honden waren ook zwart-wit. Zou ze daarover nagedacht hebben? Het was me al vaker opgevallen hoe vaak mensen en hun honden bij elkaar leken te horen.
Verderop bukte een nette jongen bij een vuilnisbak om er blikjes uit te halen. Hij had een dure fiets. De bal lag er nog. Die wilde niemand. Een kale man kwam langzaam aangelopen. Nette kleren, bijna een golfpakje, wit met een lichtblauwe spencer. Zijn hoofd zat bijna geheel onder de tatoeages. Ze waren wel wat vervaagd, verbleekt, maar nog zeer goed zichtbaar. Een vorig leven, nog te zien. Het nieuwe werd anders gedragen.
Er kwam een man aangelopen die een sterke gelijkenis vertoonde met Screamin’ Jay Hawkins. Dat zie je niet vaak. Mooi! Hij ging de bioscoop binnen. Ik wist dat hij een lekkere plek zou krijgen. De bioscoop adverteerde: ZO GOED ZAT JE NOG NOOIT - Volledig deluxe seating.
Een jonge vrouw vroeg mierzoet aan iemand om wat kleingeld. Een paar weken daarvoor had ik haar hysterisch lachend langs het spoor zien waggelen. Eenzame ziel. Het houdt niet op.
Ik betaalde en ging naar huis. De bal lag er nog steeds.
Veel mensen hebben de bal niet.
Tekst: Rocco Ostermann










