
Een nietszeggende foto
OpinieOp reizen of dagtripjes fotografeer ik natuurlijk dieren, mensen, gebouwen, vergezichten, zonsondergangen, de gebruikelijke trofeeën. Veel vaker nog de ruimtes ertussenin; de plekken tussen de highlights. Een parkeerplaats in de motregen. Een verlaten bushokje, waar ik uren vergeefs wachtte. Omdat ik gemerkt heb dat juist dáár de herinnering, de energie ook blijft hangen. Zo heb ik een foto van de glasbak naast supermarkt Mier in Formerum, op Terschelling. Een volstrekt betekenisloos beeld voor iedereen, behalve voor mij: twintig jaar geleden stikte ik daar bijna in een Granny Smith. Ik stond daar tijdens Oerol gedachteloos een appel weg te kanen toen ineens dat stukje verkeerd schoot. Niet op de ‘ik-hoest-even-wat-weg’-manier. Nee, écht verkeerd. Alles dicht. Geen lucht meer. Pure paniek. Ogen groot! Wat me ook is bijgebleven, waren de blikken van de voorbijgangers. Dat aarzelende kijken van: hoort dit bij een voorstelling? Oerol is fameus om zijn straattheater. Ik weet nog dat ik ineens besefte: o ja, verrek, een mens kan dus gewoon stikken. Hier. Naast een glasbak. Terwijl iemand honderd meter verderop waarschijnlijk didgeridoo speelt in een oude zeecontainer. En de mensen maar naar me kijken; is dit ernstig? Of is dit kunst? Op Oerol weet je dat nooit helemaal. Een man die paars aanloopt naast een supermarkt zou daar moeiteloos onderdeel kunnen zijn van een voorstelling genaamd De Consumptiemens of Adem Als Maatschappelijke Illusie. Ik was ondertussen doodsbang, en kreeg er geen ‘help!’ uit. Dat moment waarop je lichaam ineens volledig zelfstandig besluit dat er nu even niets anders meer toe doet dan zuurstof, is heel intens. Dat je lichaam ineens iets weet wat je hoofd nog niet begrijpt, is een eigenaardige sensatie. Je denkt alleen nog: lucht. LUCHT. LUCHT. Toen ineens was het voorbij. Het vreemde is; ik weet nog steeds niet wie me uiteindelijk gered heeft. Er moet iemand ingegrepen hebben. Een hand, een klap tussen de schouderbladen. Een EHBO’er. Een toevallig passerende visser. Geen idee. Ik herinner me alleen de roes erna. Alsof ik heel even buiten mezelf had gestaan en daarna haastig weer naar binnen mocht. Mijn geheugen stopt ergens halverwege de doodsangst en start daarna weer op alsof Windows opnieuw wordt geladen. Daarna heb ik heel lang geen appels meer gegeten. Heksensnoep. Sneeuwwitje had achteraf gewoon een uitstekend punt. Laatst zat ik bij een vriend die een oude boerderij heeft opgeknapt. Er stonden ook appelbomen. Levensgevaarlijk, zeker als je, zoals ik inmiddels, weet dat zelfs fruit actief tegen je kan zijn.
Getriggerd hierdoor vertelde ik hem het Terschellingverhaal en vroeg: ‘Ben je nooit bang dat hier iets gebeurt met je kinderen?’ ‘Jawel,’ zei hij. ‘Voortdurend. Maar dat is ouderschap hè. Je ontdekt ineens hoeveel manieren er bestaan om dood te gaan.’ We moesten erom lachen, misschien juist omdat het waar was. Toen ik ’s avonds naar huis reed dacht ik: hoeveel keer ontsnapt een mens ongemerkt ergens aan, aan een ramp? Aan de dood? Een halve seconde verschil op een kruispunt. Uurtje later van huis gaan omdat je iets niet kan vinden. Een losliggende dakpan die nét naast je valt. Een stukje appel dat uiteindelijk toch losschiet...’ Honderden kleine ontsnappingen waar we nooit iets van merken, die we niet registeren. En soms blijft daar alleen een nietszeggende foto van over.
Tekst: Rocco Ostermann










