
Column De Buitenstaander: Rond tien uur ’s morgens was het
OpinieIk was op weg naar mijn auto, want Ik had een afspraak bij de mondhygiënist in Dinxperlo. Bij de Coop kwam een scootmobiel me tegemoet. Daarop zaten twee Klarendalse drankbakken. De chauffeur had een rammelend kratje bier tussen zijn knieën, en een peuk in z’n snuffert. Het leek net alsof ze weer puberend in de botswagentjes zaten. Wat later zag ik in de verte mijn auto staan. Plots klonk er een ontzettend gevloek en getier. Daarvoor verantwoordelijk bleek een oudere lange man, die er uit zag als een ex-Hells Angel met een lange hagelwitte paardenstaart, en dito witte seventies porno-hangsnor. In één van zijn grote oren hing een glimmende piratenoorring. ‘Tering tyfuswijf, kom hier! Hou die (k)hoer tége. @%^(%( kom hiiiieeer!’ De man had qua mondhygiëne, wat er aan woordenpoep uit kwam, ook wel een reinigingsbeurtje kunnen gebruiken. Hij schreeuwde naar een vrouw die ook op een scoot-mobiel zat. Ook zij had haar snuffert ‘bepeukt’ én was in het bezit van een ongezonde oker-karamel-achtige huidskleur die losjes over haar aangezicht hing. Ze gehoorzaamde de witte hulk geenszins en kwam in volle vaart langs me heen gezoefd. De man, die liep alsof hij twee lange houten steltbenen had, greep naar haar en pakte nét mis. ‘Houd dat $(^@($^$kutwijf tegen!’ riep hij tegen verbaasde omstanders en uit enkele ramen keken mensen naar buiten, nieuwsgierig geworden naar welke smakelijke scènes de real life soap ’Klarendal & Friends’ nu weer in de aanbieding had. Ik kende de man wel vaag. De laatste keer dat ik ‘m sprak, was al een tijdje terug en bij mijn weten had hij geen vriendin. Ik had deze vrouw echter wel eens ‘s avonds bij hem in de kleine woonkamer zien zitten.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik ‘m. ‘Gotvurrééé,’ brieste hij, ‘moe-j zien man,’ en hij wees op zijn dikke trui die over een nóg dikkere buik hing, ‘allemoal goatéé!’ Ik moest twee keer goed kijken want zonder bril zie ik dat niet meer zo scherp. Er zaten bij nadere inspectie inderdaad wel een stuk of tien vrij grote gaten in. ‘Zi-j het munne trui vörig jeur, toen-k opgenomme was, in eur huus, opgeborgé en mojje noa ‘ns kiekéé. Het liekt &*^(&()(verdommé wèl offer ’n motte-orgie aan de geng is gewees. Ofnie dan?’ ‘Nou’, antwoordde ik, ‘als dát motten zijn geweest, zijn het wel héle grote motten geweest. Misschien hoort het wel zo joh. Het is toch een Noorse trui he? En heb je die trui al lang?’ ‘Jao, een Noorsé, da gleuf ik wel ja. K-het ‘m een jeur geleeje, op mun verjeurdag, van mun zoon gekregé, moar k-het ‘m vandoag pas veur ‘t eerst angetrokké.’ ‘Nou, dan is het hoogstwaarschijnlijk gewoon een originele Breivik. Die hebben échte kogelgaten. Daar betalen ze veel geld voor op het dark web. Dat was vast ’n hele dure trui.’ Zijn gezicht ging op slot. Het grapje kwam er niet in. Ik had hem willen opvrolijken. Vandaag zou ik weer de eenzame melige zijn, met z’n foute grapjes. Ik groette hem en liep door.
Wat later reed ik richting Varsseveld, omdat ik bij Doetinchem de afslag Dinxperlo had gemist. Ik kwam te laat. De rest van de dag was net zo leuk.










