Met z’n allen op ‘t filmfestival
We waren uitgenodigd om met De Niemanders als huisband te fungeren tijdens het Gouden Kalf-gala; de glinsterende apotheose van het Nederlands Film Festival, waar de crème de la crème van de vaderlandse cinema zich in avondkleding verzamelt om elkaar nerveus aan te kijken en te hopen dat hun eigen naam straks uit een envelop komt. De band had vijfentwintig nieuwe muziekjes van een minuut vakkundig in elkaar ‘geflanst', één per categorie. Een feest om te maken. Spannende achtervolgingsmuziek, hemelbestormende melodieën, swing, gekke vrolijke deuntjes, Arabisch-Afrikaanse invloeden, van alles, we konden ons helemaal uitleven. Telkens als de presentator zei: ‘En de winnaar is…', begon onze drummer te roffelen alsof er elk moment een leeuw door een brandende hoepel zou springen. Dan klonk de naam van de laureaat, de zaal juichte, kort aftikken en pats, weg waren we. De dolgelukkige winnaars waren echter zo verrekte blij en hongerig naar dat felbegeerde Gouden Kalf dat ze, op een enkeling na, allemaal naar de microfoon dansten, bijna sprintten, en er dus ook na luttele seconden aankwamen. Dat betekende dat we meteen moesten afkappen. Dat was ook gewoon de afspraak. De allermeeste noten, van onze zorgvuldig gecomponeerde miniatuurtjes sneuvelden bij bosjes en werden dus helemaal niet gespeeld. ‘CUT!' Daar kwam het op neer, en dat was verrekte jammer, maar goed, het ging per slot van rekening ook niet om onze muzikale tierelantoontjes. Stiekem dachten we natuurlijk wel: misschien halen we er nog een mooie filmklus uit. Thekla Reuten leek alvast overtuigd. Zij kwam het hardst aanrennen. ‘Wat een coole band!' riep ze.
Onze mini-compositietjes matchten allemaal wonderwel met de verschillende categorieën, behalve bij de laatste: een documentaire, een hemeltergend droevige. Wij speelden daar - hoe zal ik het zeggen, een lichtvoetig, vrij vrolijk fantasietje onder. Alsof iemand een begrafenis binnenwandelt met een roze opblaasflamingo. Het kwam gewoon zo uit. Kunst is soms timing. En soms het gebrek daaraan.
Tijdens de briefing was ons nog voorspeld dat de sfeer halverwege zou kantelen omdat er dan meer verliezers dan winnaars in de zaal zouden zijn. Beroofd van hun aplomb, met een tijdelijk geknakt zelfvertrouwen, zouden de vele ongekroonden tezamen als een bos vleesgeworden treurwilgen voor onze neusjes zitten. Dat viel echter alleszins mee. De meeste mensen klapten sportief. Of deden in elk geval een poging daartoe. Acteren kunnen ze tenslotte. Ik stond als gitarist uiterst rechts, vlak bij de microfoon en de in een roodfluwelen cirkel uitgestalde kalveren. De hele avond keek ik in de fonkelende ogen van winnaars die langs me liepen. Daar zat het allemaal in: euforie, opluchting, een vleugje ongeloof, en misschien heel soms al beginnende angst dat dit het hoogtepunt was.
's Avonds reed ik terug naar Arnhem. Eerst nog een traag, bijna meditatief ritje door het opengebroken Utrecht, de stad waar ik ooit met plezier woonde met mijn vriendin. In het oranje schijnsel van wegwerkzaamheden kwamen herinneringen voorbij als slecht gemonteerde flashbacks. Zoals die keer dat een verwarde man ons aansprak langs de Oudegracht, waar we woonden. Hij keek mijn vriendin indringend aan en zei: ‘Jij bent zeker ook al bezeten hè!? Ja hoor, ik zie het meteen, jij bent bezeten.' Hij bedoelde ‘bezet'. Maar ja, het scheelde niet veel. Thuis, diep in de nacht, zette ik een film op Ik ben namelijk ook bezeten. Van film.