Café Bob

Er waren wegwerkzaamheden in de Spijkerstraat. Daar waar ik woon duren wegwerkzaamheden standaard een half jaar langer dan nodig. Vermoedelijk om alvast een soort van voorgeborchte van toch wel enige logistieke ergernis te pareren, was ik een beetje recalcitrant en melig geworden. Vijf werklui stonden in een grote kuil. Ze deden niets bijzonders: wat praten, roken, op hun telefoon kijken. Het was fris. Ik liep op ze af.
‘Hoi mannen, zo… da's een beste kuil. Lijkt wel een massagraf haha. Al iets gevonden trouwens? Botten misschien?'
‘Nee,' zei er eentje, leunend op zijn schop.
‘Ah, oké. De buurt is namelijk benieuwd of jullie nog wat tegenkomen.' Ze keken op. ‘Wat bedoel je?' Ik haalde mijn schouders op. ‘Heeft niemand dat verteld? Ach nee… zal wel niet.'
‘Wat dan?'
‘De vorige keer dat de straat zo open lag, eind jaren tachtig geloof ik, is er ook gezocht naar drie verdwenen mannen. Hier in de buurt denken sommigen dat die misschien onder het wegdek liggen. Er is toen wel gekeken, maar ja… niet diep genoeg, zeggen ze.'
Ze keken nu echt anders naar dat gat.
‘Eén ervan was Bob Molin. Van café Bob. Daar kwam van alles. Kunstenaars, penoze, zelfs Jan Cremer. En toen, van de ene op de andere dag: Bob weg. Café dicht. En niemand die nog precies weet waar het zat.” Het was op nummer 60, zeggen ze. Maar dat bestaat niet eens meer. Twee keer 58, en dan 62. Zestig is er gewoon tussenuit gevallen. Net als Bob. Ja, hier bij ons in buurthuis de Lommerd vragen ze zich af of jullie iets gaan vinden.''
Even was het stil. Er hing iets in de lucht wat er daarvoor niet was. ‘Hoe diep gaan jullie eigenlijk?' vroeg ik nog, maar ik voelde dat ik moest stoppen. Ik groette ze en liep door naar buurthuis de Lommerd, waar je op donderdag voor een euro een kom soep krijgt. Vandaag was het wortelsoep.
Terwijl ik at, moest ik ineens denken aan vroeger. Aan Bernard en Berend, mijn konijnen. Ze leefden in een grote lege volière achter ons huis. Ik zag ze elke dag. Tot ze op een dag verdwenen waren. Twee gaten in de grond bleven over.
Mijn vader zei dat ze op reis waren. Dat konijnen dat doen als ze groot zijn. Een reis die een leven lang duurt. Ik heb nog een tijdje, als ik er eentje door het weiland zag rennen, geroepen: ‘Doe de groetjes aan Bernard en Berend!'
Na twee kommen soep voelde ik me warm vanbinnen en liep ik weer naar huis. Ik kwam opnieuw langs de kuil. De mannen keken op toen ik voorbijging.
‘Die andere twee,' zei ik achteloos, ‘heetten trouwens Bernard en Berend. Bob, Bernard en Berend.' Ik knikte naar de kuil. ‘Past wel bij elkaar.'
Ik liep door. Even dacht ik aan die twee gaten van vroeger. Sommige dingen verdwijnen gewoon. Andere krijgen een verhaal mee. Ik vroeg me af of de mannen het 's avonds, thuis aan tafel, zouden vertellen. Café Bob was weer voor heel eventjes open geweest…