Afspraak met de tijd
Als kleine knaap wilde ik niets liever dan een horloge hebben. Het was alsof je er dan ineens bij hoorde, bij de volwassenen. Mijn ouders, ooms en tantes, de meester op school—allemaal droegen ze zo'n uurwerk om hun pols. Ik kreeg altijd van alles op mijn verjaardag, werd verwend met vele cadeaus, maar een horloge schitterde steevast door afwezigheid. Voorlopig geen tijd om mijn pols. Op een dag, ik was 8 jaar, struinde ik gelukzalig over de kermis, toen ik plots een zwaar vervormde stem hoorde schallen. Het woord dat er keihard uitsprong en mijn hartslag deed verdubbelen was: "PÓLSHORRRRLOGE!” Een kwartier later had ik er eentje uit een grijpmachine gevist. Mijn budget was naar de maan, maar de zon scheen voor mij. Op de kermis greep ik de macht over de tijd. Heer en meester, dacht ik. Eindelijk hoorde ik erbij.
Maar na een poosje, ietsje verder onderweg in mijn leventje, begon het te tikken. Eerst zachtjes: tik, tik, tik. Later de opgejaagdheid der drukte. Daarna werd het de terreur van ‘t getikketik, Overal op tijd moeten zijn. Jeetje. Dingen op tijd inleveren. Yuk. Werkdruk. Bah. To do, to do, to do—já toedeloe! Dat kleine klokje aan mijn pols werd steeds minder een belofte en steeds meer een bevel. Ik wilde vrij zijn van tijd. Weg er mee. Was het maar zo simpel.
Een stokoude buurman van mijn grootouders noemde horloges - hij had er zelf ook geen - ‘de handboei van de tied'. Dat bleef hangen. Misschien voelde ik het daarom ook zo al snel: dit ding bond me vast aan iets waar ik helemaal niet aan vast wilde zitten. Dat ene kermishorloge was mijn eerste, maar ook mijn laatste.
Ik heb nog wel horloges in mijn leven, maar ik draag ze niet. Het horloge van mijn oma. En het horloge dat ik op het sterfbed van mijn moeder van haar pols heb gehaald. Voor dat laatste kocht ik een speeldoos, een plek waar haar oude tijd nu ligt opgeslagen. Alsof je tijd kunt bewaren, stil kunt zetten, even kunt vasthouden.
Als kind had ik een droom die me nooit meer losliet: een ontiegelijk groot strand, vol scheve zandlopers die half in het zand stonden. Aangespoelde tijd. Gestrand. Een beetje Daliaans, alsof de tijd zelf moe was geworden en ergens was gaan liggen. Een kerkhof van vadertje Tijd.
Tijd is ondertussen razendsnel voorbijgegaan. Dat heeft dat ene horloge me nooit verteld. Het kon me zeggen hoe laat het was, maar niet wat tijd ís, hoe het werkt, wat het met je doet. Soms denk ik terug aan dat moment op de kermis, aan mijn bonzende hart. Ik heb me later wel eens afgevraagd: als je hart dubbel zo snel slaat, ga je dan ook dubbel zo snel dood? Vast heb ik dat ooit aan mijn moeder gevraagd. Haar antwoord ben ik vergeten.
Tegen mijn gitaarleerlingen zeg ik dat muzikanten een afspraak met de tijd hebben. Je moet op tijd aankomen bij de volgende noot, anders loopt de muziek mank. Maar wat we echt moeten leren, is meebewegen. Ritme vinden, in plaats van controle.
En af en toe, heel bewust, die handboei af laten.