Pasfoto’s schieten
Vandaag mijn tweehonderdste verhaaltje. Tadaaa! Ik heb daarom een feestelijke moorkop voor m’n neus liggen, die ga ik lekker wegkanen, en daarna denk ik dat ik maar eens een paar pasfoto’s laat schieten. Dat zegt men volgens mij niet meer hè? Een foto schieten. Enfin, niet dat ik die foto’s nu nodig heb, maar ik heb dus zo’n relaxte blije toet sinds ik vanmorgen ‘t zand uit mijn ogen heb gewreven. En dat moet benut worden. Normaliter kijken me vanaf ’t fotopapier namelijk van die dondertronies aan als ik weer eens zo’n kiekje, in viervoud afgedrukt, in mijn klauwen houd. Ik heb er nooit goesting in en meestal is mijn reactie en conclusie: ‘Nee he, ben ik dat!? Jeetje, wat een ouwe kop!’ Om twee jaar later te denken: ‘Zag ik er nog maar zo uit!’ (Je mag ook niet lachen op die foto’s. Dat helpt ook niet bepaald. Misschien lijken lachende mensen te veel op elkaar). Vandaag daarentegen zal ik eens gefocust en goedgemutst voor de camera verschijnen en een hele serie laten maken. Ruim voldoende voor de volgende vijf jaar.
Afgelopen zomer liep ik in de stromende regen. ’t Was ’s morgens zeer vroeg, of laat in de nacht zo u wilt, en ik zag mezelf onder een straatlantaarn in één van die waterspiegels die her en der in ’t licht hobbelige klinkerstratendek waren ontstaan. Tijdens broeierige zomernachten hangt er vaak iets wilds in de lucht en ik sloeg spontaan aan ’t zingen. Dat doe ik wel vaker als ik alleen over straat loop. Vroeger als jongmens al, om ‘t nachtgespuis weg te jagen of om ze te verwittigen dat ik eraan kwam. Met mijn eigen nocturnes, mijn nachtgezangen. ‘Schéér je weg, addergebroed!’
Ik liep dus ’s nachts vrolijk door de straten middenin zo’n heerlijke zomerregenbui een oud lied te zingen: ’It ain’t no sin to take off your skin and dance around in your bones.’ Ik maakte er een klein dansje bij. Beetje tapdansen in de plassen. ‘t Kind in me was duidelijk de baas. ‘It ain’t no sin to take off your skin and dance around in your bones …’ Hee! Ineens bedacht ik me: ik heb verdikkeme natuurlijk óók een skeletje in me! Zo’n klapperend geraamte in m’n lijf, en ik omarmde mezelf eventjes rond mijn ribbenkast, mijn bottenmarimba. Én een doodskop! Jazeker, die heb ik óók! Túúrlijk, hèhè! Hoe zou die van mij er uitzien? Is mijn röntgenpasfoto…? Zou ik fotogeniek genoeg zijn om op een piratenvlag afgedrukt te kunnen worden? Potjandorie! Wat een belángrijke vragen zeg, zo laat in die nacht… Toen …
Terug naar ‘t heden. Pasfoto’s schieten dus. Hup naar de fotograaf. Oh wacht, die zijn er amper nog. Dan maar bij de copyshop. Waar had ik ze ook alweer voor nodig? Voor mijn paspoort. Mijn Duitse paspoort. Ah ja, dan moeten ze vast weer aan andere eisen voldoen dan hier in Nederland. Je blijft er ook maar mee bezig he, met die onzin. ‘t Lachen vergaat je vanzelf…
Tekst: Rocco Ostermann