Wat een heerlijke dag
Afgelopen zomer, staand op strandboulevard Europakade bij Tolkamer, realiseerde ik me dat ik dringend behoefte had aan een lange reeks ‘kleine dagen'. Dagen die ik geniet in stille bewondering, en dat is best opmerkelijk, want ik heb normaliter meteen de rebbel los als ik iets bewonderenswaardigs zie. Ik deel graag. Ik vind in m'n uppie op reis gaan ook geen zak aan. Ik wil kunnen wijzen en roepen: ‘Oooo, kijk toch eens, wat mooi he!' Wanneer ik water zie stromen, zoals bij een rivier, begin ik te staren en denk ik meestal aan tijd. Wanneer mijn ogen me op een meer, of op grote waterplassen, trakteren denk ik aan het stilstaan van de tijd, aan pret van alle tijden, die je als kind ervoer, de levenslust, de dolle vreugde die, tegen de binnenkant van je ogen aan, een malle toet trok, net zoals je dat zelf kon, met je kinderhoofdje tegen het autoraam. Mens en tijd is een beetje als mens en rivier. Wanneer je kind bent ren je sneller dan de rivier stroomt, en wanneer je als senior een contemplatief uitje inlast, stroomt de rivier je voorbij. Je lijkt stil te staan. De schemerachtige gloed die van stilstaan af komt, is iets dat velen verontrust of beangstigt. Zo niet het kind, dat nergens bij stilstaat en met zijn lenige gedachtes de onmogelijkste bokkensprongen kan uitvoeren.
Ik moest denken aan een dichtregel van Peter Handke, gebruikt in de film Der Himmel über Berlin: ‘Als das Kind Kind war, wusste es nicht dass es Kind war.'
Ongeveer zo mijmerend, stond ik daar. Ik schoot bijna wortel. Het rustieke beeld van de in slow-motion langsvarende vrachtschepen absorbeerde me, het was alsof ik met hun meebewoog en ook uit het beeld wegvoer. ‘Mag ik alstublieft even passeren,’ hoorde ik plots enigszins uit de verte. De al wat oudere man stond pal achter me. Ik blokkeerde blijkbaar met mijn wortelschieterijen de looproute ‘Euh, ja, natuurlijk.’ Iets verderop ging hij zitten. Wat later raakte ik met hem in gesprek: een gepensioneerde leraar geschiedenis. Een meneer vol verhalen en weetjes. We bespraken (hij vooral) de Rijn die vrij imposant langs de kade stroomde: ‘Het klopt niet meer he.’ ’Wat klopt niet?’ ‘Nou, dat de Rijn bij Lobith ons land binnenkomt. Lobith ligt nu een kilometer van de Rijn af.' ‘Ach,' zei ik, ‘de tijd treedt toch wel vaker buiten haar oevers, en ik vind het al leuk genoeg te weten dat zo ongeveer hier ergens,' ik wees lukraak met mijn vinger om me heen, ‘de Batavieren in hun holle boomstamboten aan land kwamen. De exacte locatie aanwijzen lijkt mij nogal lastig.' ‘Dat zou wat zijn,’ lachte de man, ‘jij lijkt mij het type filosoof die de uiterwaarden van de rivier interessanter vindt dan de loop zelf. Ik ben meer van het stroomlijnen van feiten.’ ‘Fait accompli is: het is een heerlijke dag, het zonnetje heeft er zin in, en het is hier prachtig.’ Ik neuriede spontaan: ‘Warum ist es am Rhein so schön, am Rhein so schön?’ ‘Fait accompli is trouwens ook,’ en hij gaf me een traag knipoogje vergezeld door een grote grijns, ‘dat het de Bataven waren …, niet de Batavieren.’ Hij kon het niet laten, leraar he. Wat een heerlijke dag.
Tekst: Rocco Ostermann