Hoezéé voor de postbodéé!

Rond december, januari, wanneer de eerste Elfstedentocht-ijsmeester weer rillend van voorpret is aangeschoven bij één of andere talkshow, begint voor de postbodes altijd een notoire en vaak door De Telegraaf voorspelde en op de voorpagina vet afgedrukte HORRORWINTER.
Het lijkt misschien allemaal glitter en glamour he, maar sinds 'So you wanna be a postbode', een kijkcijferkanon is gebleken, is er toch wel een beetje een vertekend beeld ontstaan aangaande het dagelijks reilen en zeilen van deze traditionele brengers van commerciële boodschappen en pennenvruchten van geliefden. Denk er bijvoorbeeld aan dat ze regelmatig hun persoonlijk record op de honderd meter sprint moeten verbeteren, om uit de klappende kaken van honden met rugbybalkoppen te blijven. Probeer dat zelf maar eens op zo'n winters glad trottoir! Met dat geduchte winterweer is het leven van een postbode in, zeg maar, een stad als Arnhem met al zijn heuvels en steile wegen, te vergelijken met dat van een biatleet. Daarmee bedoel ik vanzelfsprekend niet een atleet die biseksuele handelingen verricht, maar een wintersporter die én langlauft én schiet. 'Postbode in januari' zou op de volgende Olympische winterspelen dan ook niet misstaan. En dát allemaal naast door glijpartijen (zowel met fiets als te voet) veroorzaakte botbreuken, gemuteerde gebitjes en gekneusde ribben en door te zwaar beuren ontstane slijmbeursontstekingen. De moderne postbode moet soms zoveel op de gestrekte arm leggen dat die eigenlijk een soort van superkelners is geworden. Mits er niets valt natuurlijk. Er worden dan wel minder brieven en rekeningen gestuurd, maar de glossy reclamemagazines van bijvoorbeeld de H&M en legio andere cluppies maken dat er behoorlijk wat gewicht vervoerd en afgeleverd moet worden. En dan hebben ze tegenwoordig ook nog van die hele leuke bonsai-kerstkaartjes, waar amper een postzegel op past, zo verrekte klein dat die dingetjes zijn. Het lijkt wel post voor Madurodam. En dat kleine spul dwarrelt telkens als snoezelige sneeuwvlokjes uit die grote stapel met post die je tegen je aanklampt, zodat je als postbode constant moet bukken, en dat, op een onfortuinlijke dag, nog vaker doet dan een mohammedaan die op pelgrimstocht in Mekka is. De postbode die in de duurdere wijken onderweg is heeft het 't allermoeilijkst, aangezien in dat soort kakkie buurten, waar Sint Bernard-honden ‘Dior' heten, nooit een sticker op de brievenbus is geplakt met de mededeling dat ze géén reclame en huis aan huis bladen willen. Ze willen daar juist álles! Waar veel geld is, willen ze vaak alleen nog maar méér. Bovendien vegen ze daar alleen hun eigen straatje schoon. Postbodes in de winter, ik kan wel een boekje volschrijven over alle ontberingen waar die mee te maken hebben. Laten we daarom vandaag zingen voor hen die, door het winterweer geteisterd, onvrijwillig in de voetsporen van Willem Barentsz treden en als amateur-Eskimo's zwoegend door de winterpracht trekken, en óók nog 'ns al die overuren, veroorzaakt door gladheid en sneeuw, niet betaald krijgen! Hoezéé voor de postbodéé!

Tekst: Rocco Ostermann