Kleine Rocco slaapt op straat.

Kleine Rocco slaapt op straat.

Dutje doen

Ik vroeg met licht verbaasde stem aan mijn ma, toen we op een gezellige herfstmiddag door een paar fotoalbums aan het bladeren waren: 'Ben ik hier met dat katje aan het praten?' (ik praat mijn hele leven al met dieren en ben desondanks een vrij mislukte paardenfluisteraar). 'Nee hoor haha, je slaapt hier. Gewoon midden op de dag. Je zette je kar, waarmee je door de buurt liep, aan de kant en viel prinsheerlijk in slaap. Zulke dingen deed je.'
‘Was ik dan moe?' ‘Dat weet ik niet,' antwoordde ma grijnzend, ‘ik denk het.'
Aha, zulke dingen deed ik dus blijkbaar. Ik probeerde me nog meer komische situaties te herinneren, in latere jaren, waarbij ik in slaap was gekukeld. Tijdens lesuren op school was ik regelmatig weggezzzweefd, maar verder schoot me niet echt iets te binnen, behalve dat ik wel eens gehaktballen at (die werden gehaald door kinderen die achter het doel stonden) terwijl ik bij De Graafschap in de goal stond, omdat de wedstrijd slaapverwekkend was. Een andere concrete herinnering verscheen niet aan de poorten van memory castle. Als een herfstblad bleef die foto door mijn hoofd dwarrelen, en ik fantaseerde dat als ik een brief had kunnen schrijven naar mij, dat kereltje van toen, dan had ik iets geschreven in de geest van: ‘Niet afleren jochie, dat spontane dutten!'
De laatste jaren slaap ik namelijk weinig en vooral bar slecht. Dormio ergo sum - Ik slaap, dus ik ben. Mooi niet dus. Ik heb het idee dat Herman Brood als mijn nieuwe zandman is gereïncarneerd. Dat zand van hem deugt niet. Ik blijf er wakker van!
Ik woonde lang geleden in een oerbos, het Achter-Woold geheten. Een afgelegen en bovenal bloedmooie plek is dat. Een zinnenprikkelende streek waar je een koe met een strohoedje op kan tegenkomen of libelle-races kan zien die langs slootrandjes worden gehouden. Je moet er wel oog voor hebben natuurlijk en een potje fantasie helpt ook een handje. Ik had toentertijd geen rijbewijs en een buurtbus bracht me in de richting van waar ik uiteindelijk elf jaar zou gaan wonen. Het was in de eerste week. Ik moest nog circa vijf kilometer te voet en ging fluitend op weg. De wandeling was als een ontbijtje voor de ziel. Het was eind april en ik voelde me gelukkig. Op een gegeven moment zag ik een tractor scheef in de berm staan. Een oude man zat, roerloos naar één kant hangend, achter het stuur.
Ik dacht: die is gaan hemelen. O jee. Wat nu? Ik liep op hem toe om zijn pols te voelen en plots begon me die gast toch te snurken zeg! Ik scheurde uit mijn mondhoeken van het grijnzen. Later hoorde ik dat de boer Bello werd genoemd, Bello van de Roerdinkholder om precies te zijn. Hij leek op Maarten van Rossem.
Ik vervolgde mijn ‘lente-spatzier'-gang en 45 minuten later kwam ik thuis aan. In de nok was in het witte hout een hartje uitgesneden. Voor in de tuin stond een grote rode beuk, die hoger reikte dan het huis. De blaadjes van de rode beuk, leken op glinsterende donkerbruine snoepwikkels, en als vlinders kropen ze uit de knoppen. Magie kost niks.
Ik ging er instinctief tegenaan zitten en viel in slaap. Ik had nog even geen sleutels nodig.
Vooralsnog was dít de sleutel...

Tekst: Rocco Ostermann