Afbeelding

Column De Buitenstaander: Els

Opinie

Nadat welhaast alle schapen uit Nieuw Zeeland over een hekje waren gesprongen, en ik daarna nog tachtig Friese koeien had zien fierljeppen, en zo ongeveer élk dier uit de ark van Noah de marathon van New York had zien lopen, kruipen en vliegen, lag ik potverdorie nog steeds gaten in het plafond te staren!
Ik had denkbeeldig uilen, zelfs oehoes, strijkers in hun uilenbips gedouwd, maar knappen? Ho maar! Nee, bij mijn zandmannetje vinken we overduidelijk ‘niet geschikt’ aan. Gaap... Ik lag nog steeds in bed, voor me uit te staren. Drie stewardessen kwamen met zware rolkoffers langs mijn souterrain- slaapkamerraam gelopen. Jeetje wat ging dat hárd. Ik hoorde hun hakjes niet eens tikken. Oh, nee, het waren weer die enthousiaste trottoirvliegeniers, met hun skateboards, da’s waar ook. Wat waren ze vroeg!?
Ik stond maar ‘ns op; bleek de koffie óók, op. Er kwam iemand langs mijn grote woonkamer raam gestiefeld, gruwelijk scheldend in zijn telefoon. Hij hield het ding pal voor zijn mond. Ik hoorde alles. Vreselijke ziektes werden er uitgespuugd als voorvoegsel voor het oudste beroep ter wereld.
Tien minuten later stond ik buiten. De eerste die ik daar zag was een manspersoon op een fiets, die, terwijl hij langs kwam pedaleren, keihard in zichzelf, maar buitensmonds, aan het vloeken was. Een auto die vrij rap om de hoek kwam gesjeesd begon vrijwel meteen als een malle te ‘túúúúúúúúúúten’-, en in claxonische morsetaal vervloekte hij de DHL-koerier die zijn geel-rode bestelbusje te lui of te ondoordacht langs de stoeprand had geparkeerd. Verdorie, ik was net wakker en ik verwonderde me alweer over dat gedonder. Niet alleen in de wereld, maar ook in mijn directe omgeving.
Zittend achter een groot raam tegenover mijn woning, bekeek een lief karamel-crèmekleurig Stafford-hondje het allemaal, met oortjes die achterover stonden. Het is een hondendame en ze heet Els, wat ik een bijzonder grappige naam vind voor een hondje. Het maakte me blij, en dat was maar goed ook, want anders zou ik toen al bijna chagrijnig geworden zijn van al die bullebakkerij op straat. Ik zwaaide naar Els. Ze zwaaide niet terug. Dat zou ook té mooi zijn geweest.
De vrouw van het baasje van Els, is Engelse en rond kerst en eigenlijk ook wel rond alle andere feestdagen, wordt het hele huis van binnen opzichtig door haar versierd. Ook het raam versiert zij, met een flinke portie liefde voor detail. Ze zou de kleindochter van Anton Pieck hebben kunnen wezen, of die van Lewis Caroll of Charles Dickens. Wonderbaarlijk. Je krijgt het idee dat bij hen ‘Christmas’ wél altijd ‘White’ is en niet ‘Wet’, zoals meestal bij ons. Het lijkt wel alsof ze zich op die manier verzet tegen alle kommer en kwel op onze aardkloot. Je hebt er ook die er buitenshuis een pretpark van maken, met bijna nog meer beelden in de tuin dan dat er in de Sixtijnse Kapel in Vaticaanstad staan.
Even later, in de supermarkt kwam ik -oh toeval- het baasje van de hond tegen. Hij heeft een manier van praten alsof hij constant een emmer steenkoud water over zijn rug krijgt gekieperd. Snel, bijna opgejaagd formuleert hij zijn verbale clusters. Toen ik over zijn hondje begon, antwoordde hij, tot mijn verbazing ineens langzaam,: ‘Alice?’ ‘Ooh, heet ze Alice? Haha, ik dacht Els.’ Beiden moesten we lachen. Aha, dacht ik. Zó zit dat. Niet Els, maar Alice … in Wonderland.

Tekst: Rocco Ostermann