Van Beethoven

Iedereen die wel eens in een kringlooptoko rond-rommelt weet dat er altijd wel ergens een ontstemde piano staat die voor weinig weg mag. Bij de 2Switch in Arnhem posteren ze zo'n amper te restaureren jammerklank-kast meestal precies naast het vertrek waar de boeken rechtop liggen te slapen. Af en toe loopt er eens iemand langs die in een grijs verleden pianoles heeft gehad en er achteloos een riedeltje vlooienmars op speelt. Meestal gaat die er niet eens voor zitten.
Gisteren zat ik lui in een fijne rookstoel in de boekenafdeling door een aantal potentiële aanwinsten te bladeren, toen er ineens werd gepianeerd op een niveau waarvan ik dacht: 'Zo dan, die kent zijn klassiekers!' ik herkende de contouren van een sonate van Ludwig van Beethoven. Het was een zwaar stuk, en ik luisterde aandachtig, totdat de speler tot mijn verbijstering ineens bruut overging op 'Tulpen uit Amsterdam!' Waarschijnlijk was de pianist, net als Ludwig, behoorlijk doof, want zijn vingers leken wel hamers die het valse gebit uit de piano wilden ranselen. De muziek werd zeer opdringerig gespeeld en na een tijdje werd ik er behoorlijk kriebelig van, om het maar eens voorzichtigjes uit te drukken. Ik hees mezelf uit de stoel, want ik wilde toch wel eens zien wie daar nou aan het spelen was. Op dát idee waren er meer gekomen, want er stonden een man of drie om de pianist heen, die een kleine oude knar bleek te zijn en kromgebogen over de toetsen hing. Eén van de omstanders vroeg iets aan de pianoman over de potpourri-achtige stukken die hij speelde. Hij stopte met spelen en antwoordde: 'Ja, de jeugd weet niet meer wat échte muziek is hè! Dus speel ik er vaak bekende deuntjes doorheen, zodat ze misschien geïnteresseerd raken. Mijn kleinkinderen bijvoorbeeld vinden er niets aan. Laatst vroeg mijn kleindochter, ze is al achttien: ‘Opa, wat is dat voor muziek die je speelt? Ik word er niet zo vrolijk van.' We keken elkaar een moment lang bedremmeld aan, en ik zei tegen haar: 'Dát is van Beethoven!' ‘Beethoven?', antwoordde ze op stomverbaasde toon.' Je had haar gezicht moeten zien. 'Ja, Beethoven', antwoordde ik. ‘Maar, euh, maar een hond kan toch geen muziek maken?' ging ze verder. 'Een wa,…wat? Een hond? Ik snapte er niets van. Wat bleek nou? Er schijnt dus een film te zijn die Beethoven heet, en waarin een Sint Bernardhond met de naam Beethoven zit! Zij dacht dus dat Beethoven een HOND was! Dat is toch niet te geloven!'
De man sprak het tamelijk furieus uit, en de omstanders kregen dan ook niet bepaald neigingen om in lachen uit te barsten.
Ik stond er inmiddels een metertje naast, en grinnikte wél breeduit. Er verzamelden zich spontaan hele hordes volzinnen op het puntje van mijn tong, maar ik wist mijn kaken op elkaar te houden. Ik wist, deze man zou altijd gelijk hebben. Hij zou The Beatles niet kennen, ABBA niet, zou Arnold Schönberg verfoeien en nog veel meer. Star als een tweehonderd jaar oude eik zou hij zeggen: 'Dát is géén échte muziek, want ik ken het niet!'
Tsja, en dan wordt het natuurlijk lastig om je grote liefde, muziek, te delen.