Dicht bij huis
Ik zat op een bankje naast mijn huis, voor buurthuis ‘De Lommerd’ een boekje te lezen. Rondom de vuilcontainer hadden vele aso’s tezamen getracht een Napolitaanse mis en scene te creëren. Een grote bult afval. Een dikke pluim: het was ze gelukt. Binnenkort, met warmere dagen in het verschiet, zal de gemeente wel proberen om via een seance de rattenvanger van Hamelen op te roepen. Zélf zijn ze namelijk te druk om oplossingen te verzinnen die vorige oplossingen weer moeten oplossen. Of zoiets.
Een snel fietsende man, zoefde langs, keek schuins naar me om, trok spontaan bijna de stuurpin uit zijn fiets en stond in een flits twee meter voor mijn neus, stak vrijwel meteen van wal en blies z’n info bij me naar binnen. Ik keek instinctief direct naar zijn wauwelende mond, of zich daar soms de slijmerige voorbodes van enige consumptie hadden genesteld. Ik had om meerdere redenen hier geen zin in. Het was de eerste coronazomer. De vorige keer was hij over z’n prostaat begonnen en ik had me daarna werkelijk afgevraagd wat het toch is, waarom zoiets zo nodig aan míj verteld moest worden. Ik wist het niet. ‘Govettomme.’ begon Jack the Dripper, ‘zitter toach iemand du heule nach pirate-meziek tu droaien he, in mun flatje, en ik ken da nie lijé he, en…’ (ik hoorde de rest niet, want ik zag ondertussen een spichtige mevrouw met een kwaad vogelhoofdje, richting de vuilcontainer benen om daar achteloos haar twee zakken vuil op de grote stinkende hoop te flikkeren).
Ze gooide een oogje naar ons en met een schelle stem, die vanuit een blikken koekjestrommel leek te komen, en alsof we haar actie wel enigszins zouden kunnen begrijpen, kraste ze quasi verontschuldigend: ‘Ja, goh, ze doen het allemáál hé! Toch?’ Ik wilde haar afranselen met ironie en gaf haar meteen een afglans van mijn innerlijk obscure leven. ‘Ja, wat kán het toch ook allemaal verrótten he?’ Ik had er de puf niet voor om er nog een staartje aan vast te knopen. Ze verdween weer kwiek achter haar voordeur.
Er kwam een jonge meid aangelopen die alle geschenken van moeder natuur vol trots met zich mee droeg. ‘Vertomme,’ zei Jack, ’zu worré oak elk joar meuier he, die mèidu.’ Jacks blik sloeg zijn haken in het wiegende achterwerk van de vrouw en hij zweeg net zolang tot ze uit z’n blikveld verdwenen was. ‘Dit was een mooi moment om ook uit het zicht te verdwijnen’, dacht ik. Ik had namelijk spontaan zin in een biertje gekregen, een met liefde getapt pilsje, zo’n goudgele winnaar, zo eentje waarover ze vroeger bij biertapwedstrijden zeiden: ‘Dit biertje lacht.’
Lachen wilde ik óók, dus ik besloot om naar binnen te gaan en het één ander ter eigen vermaak neer te tikken. Tevens besloot ik om het de komende dagen maar weer eens wat dichter bij huis te gaan zoeken in plaats van door een lege stad te dolen. Ik wilde wat meer aanspraak. Gewoon hier op het bankje, naast mijn huis, bij de Lommerd.
Tekst: Rocco Ostermann