Details

Ik leerde Sjoerd kennen tijdens een tuinfeestje in Utrecht, waar ik verzeild was geraakt. Er waren veel schrijvers, er werd stevig gedronken en het was snikheet. Op een gegeven moment ontstond er enige hilariteit, toen de heer des huizes in een aanval van bezopen razernij zijn paspoort op de barbecue flikkerde. Hij wilde ‘stateloos zijn,' zo raaskalde hij. Het waarom bleef in alcoholnevelen hangen. Iemand zei tegen hem: ‘Klein detail Robèrt, is dat je vooral in een dronken staat verkeert en dat deze doldrieste actie wel eens niet zo handig zou kunnen uitpakken, aanstaande maandag op het gemeentehuis! Je gaat trouwen. Weet je dat nog?'
Die iemand was Sjoerd en ik kwam wat later met hem in gesprek. Hij bleek een vriendelijke ratelaar, een jaar of 60, lang, en bezat de anatomie van een gespierde spijker. Tevens had hij een paar ogen waarbij vergeleken die van Bambi eruit zagen als die van de vroegere Japanse keizer Hirohito. Sjoerd droeg een jampotjesbril. Hij sprak opvallend, alsof hij een Cruijff-courtje in z'n hoofd had, waar bij vlagen quasi onnavolgbare zinnen werden geformuleerd. Een dwangmatige maar virtuoze spreker.
Toch was Sjoerd een van de weinigen op het feestje die niets met schrijven van doen had. Maar hij wist van alles, tot in het kleinste detail. Als ik hem naar het beste 'oost-Tsjechische kettingzaag-merk' had gevraagd had hij me, na slechts een korte aarzeling, geheid een referaat over kettingzagen gegeven. Hij zat vol met info waarbij je denkt: 'Leuk die dingsigheidjes en wissewasjes, maar wat moet je d'r mee?' Sjoerd werkte bij de spoorwegen, als planner. Toen ik hem vertelde dat ik antieke locomotieven zo mooi vind klinken had ik hem, of beter geformuleerd: hij had mij bij de spreekwoordelijke lurven. Ik zette maar weer eens mijn luister-gezicht op en wachtte geduldig. Af en toe knikte ik. Na een kleine eeuwigheid, wrong ik me tussen zijn lange volzinnen en vroeg: ‘Hoe vaak, gemiddeld, schat je, krijgt (eigenlijk) een machinist tijdens zijn loopbaan te maken met suïcide op de rails?' ‘Een keer of vijf,' antwoordde Sjoerd meteen. ‘Víjf keer, tsjonge. En is er dan ook wellicht iemand in het bezit van de twijfelachtige eer om recordhouder te zijn?' ‘Jazeker, in Den Helder woont een machinist die het 36 keer is overkomen.’ ‘Wát!? Ga toch weg.’ ‘Nee, écht!’ ‘Zes-én-der-tig keer!?’ ‘Ja…, ik vrees van wel …’ Ik moest even op adem komen. De ene gedachte na de andere drong zich op. Hoe gaat zo iemand ‘s morgens naar z'n werk met dat spoor van ellende in zijn hoofd? Toen werd het voor 't eerst even stil …, maar niet voor lang. Sjoerd gooide er weer wat kolen op, en het spraaklocomotiefje denderde weer vrolijk door.
‘Wil je iets van de barbecue?’ vroeg hij. ‘Nee, dank je,’ antwoorde ik hem. Ik mag van mezelf zeggen, dat ik altijd een bepaalde manier van kijken heb gehad, ook op details let, en zo kijkende had ik bij Sjoerds oksel een moedervlek ontwaard, die ik het beste kan omschrijven als ‘een satéballetje aan een elastiekje’. Ik zag ’t vanuit een ooghoek al een tijdje heen en weer bungelen. Maar dat terzijde. Een detail zullen we maar zeggen. De honger was me echter wel vergaan.