Afbeelding

Column De Buitenstaander: ‘Dat komt allemaal uit de jungle’

Opinie

Het draaiorgel, met twee niet zichtbare drankorgels erachter, boemfalderaade bij morgenstond langs het slaapkamerraampje van mijn souterrain, en ‘verrijkte’ het staartje van mijn dromerijen met wat tierelantoontjes. De muzikale gebakkraam was ‘en route’ naar een dagje vol geratel en gewindpijp in de drukke binnenstad, want het was koopzondag.
Een dag later was ik op bezoek bij mijn oude kennis Freddy, en die is eigenaar van de slechtste kringloopwinkel die ik ken. Hij heeft uitsluitend waardeloze meuk in zijn prullentoko, en ik noem hem daarom altijd gekscherend Freddy Meukery. Tijdens het knusse samenzijn vertelde ik hem over dat draaiorgel en Freddy antwoorde dat hij ook een carrière als geldbusjes-swinger, naast zo’n vreugdepaleis op wielen, achter zijn kromme pijnlijke rug had. ‘Da verdient best goed hoor! Je mos es wete wa je zo ophaalt op ‘n dag.’ Dat geloofde ik onmiddellijk. ‘Je krijgt d’r alleen wel een beetje, en dan letterlijk, ‘t heen en weer van.’ Ik keek ‘m vragend aan. ‘De rambam! Van da geschud met da blikkie. Je krijgt d’r ook zo’n Popeye the sailor man-onderarm van. Voor je gevoel dan hè! De muziek hoor je na ‘n tijdje nie meer.’ ‘Nee, dat zal wel niet,’ antwoordde ik. Ik moest denken aan de dolle dagen dat ik, naast in een band te zitten, ook als straatmuzikant rond trok, en best wel last had van die prehistorische jukeboxen, want je kon net zo goed je gezang staken, als er weer zo’n penetrant pijporgel naar je stekkie kwam toegerold. Je kwam er van z’n lang zal ze leven met je gezang niet bovenuit. Het interesseerde de orgelmannen (ze zijn meestal met z’n tweeën) ook geen ene mallemoer of je het leuk vond of niet. Maar eerlijk is eerlijk, ik zou óók wel eens een dijenkletsertje willen schrijven dat in zo’n zig-zag orgelboek gestanst wordt, maar ja, dan moet ik eerst een hit kopen met een zak geld. Dat kan hoor, dat doen er wel meer. Ik zal eens aan een blaasbalgbluesje beginnen.
’t Meest last had ik echter van die goed georganiseerde ‘Inca-orkesten’, die er toentertijd op een gegeven moment ten straat-tonele verschenen. Eerst kwamen ze nog in hun ééntje, maar alras kwamen ze in grotere getale met kleine uitklapbare podia aankakken. Met een man of zes, in vrolijke veelkleurige poncho’s, speelden ze hun pseudo regenwoud-muzak, waarmee ze vele 50-plus damesharten veroverden. ‘Ach gut, kijk toch, wat schattig, die kleine indiaantjes op hun fluitjes. Dit is muziek uit hun streek, uit het oerwoud.’ Wanneer ik me bedenk hoeveel galm en echo er alleen al op één zo’n fluit stond! Man, dat klonk nét alsof het hele vogelbestand uit het Amazonegebied massaal aan het paren was geslagen, en en masse klaarkwam! En dan speelden ze potverdikkeme gewoon ‘Bamboe-Leo’ van de Gypsie Kings! (Waar overigens helemaal niks mis mee is.) En de dames maar vertederd kijken. ‘Jahaa, dat komt uit de jungle.’ ‘Zal wel,’ sprak het verveelde gezicht van haar eega, maar de verrukte freule pakte haar handtasje en verwierf zich een heuse cd met onvergeeflijke rimboemelodieën.

Advertenties doorgeplaatst vanuit de krant