Column De Buitenstaander
Column De Buitenstaander

Column De Buitenstaander, Rocco Ostermann

Opinie

‘t Mutsje maakt de man

Ik kwam van ’t podium af, dat als een heet bad was geweest. De kleren zaten vast op mijn huid, zo voelden ze. Ik was op Terschelling tijdens het theaterfestival Oerol. Ik liep geladen met adrenaline voldaan richting backstage en een vrij kleine man met zilvergrijs haar stak zijn duim op, toen zijn hand uit en met een onmiskenbaar Amsterdams accent complimenteerde hij me met mijn stem en optreden. ‘Werkelijk waar jongen, niet gelogen, in één woord g-e-w-e-l-d-i-g!’ ‘Dank je wel’, grijnsde ik breeduit terug.

’t Drong niet echt tot me door wie het was. Ik kende ‘m vaag. Later in de kleedkamer bedacht ik me dat hij wel een ietsje op Aart Staartjes had geleken. Het was ‘m natuurlijk niet want meneer Aart was al een tijdje kassiewijle. De man was gekleed als een ketelbinkie, als een jonge matroos, met zo’n blauw wit gestreept truitje. Het had ook een ouderwets mannen zwempak uit het einde van de negentiende eeuw kunnen zijn, of zo’n typisch bajeskloffie rond diezelfde tijd. Ik moest daardoor plots denken aan een kennis van me. Hij, gevangenis directeur, deed op een dag in ‘zijn’ bajes een lopend vuurtje rondgaan, waarin werd verteld ‘dat alle gevangenen per april/mei weer in van die oude gestreepte gevangenispakken moesten rondlopen. Geen T-shirts meer of lekker los zittende trainingspakken: ‘een eenheid moest er weer komen’. Een golf van luidkeels protest ging er dagenlang door de afdelingen. Het bleek een 1-april grap van de directeur te zijn.

Enfin, later die dag zag ik de oudere zilvergrijze man opnieuw, hij liep richting een podium. Hij had nog steeds dat gestreepte truitje aan, maar nu met een spijkertuinbroek er overheen. De band was er klaar voor. De man stond bij de microfoon en haalde een knalrode zakdoek uit zijn broek, en legde die op zijn hoofd. Het was inderdaad nog bloedje heet. Nee, het was geen snotterdoekje, het was een petje, zo’n felgekleurd drukwerk mutsje... Het was potdorie Harrie Slinger die daar stond. Nu zag ik het. Wat grappig. ‘s Avonds zag ik ‘m weer, we aten in hetzelfde café. Na ‘den inwendigen mensch’ te hebben verwend en gevoed kwamen we, staande aan de bar, weer in gesprek. Ik vertelde hem dat ik met mijn band De Niemanders, in een bajes, Drukwerks ‘Schijn een lichie op mij’ had gespeeld, gezongen door een gedetineerde die dertig jaar moest brommen. ‘Nou, astie vlucht, dan zullen de bewakers er ook wel een lichie op schijnen hahaha.’

Ik vertelde hem dat we in de Achterhoek, in mijn geboortedorp Dinxperlo om precies te zijn, er vroeger ook eentje hadden rondlopen. ‘Een zware jongen, zo’n bajesklant?’ vroeg Harrie. ‘Nee, een heuse Harrie Slinger impersonator. Een hele goeie zelfs, Günther Freriks is zijn naam. En bij hem gebeurde precies dat, wat ik bij jou vanmiddag ook weer zag. Günther zette dat mutsje op en ineens werd hij iemand anders. Hij werd jou.’
‘Ja, maar wie word ik dan?’ grinnikte Harrie.
‘Nou, bij jou is het veeleer de vraag, wie jij bént, wie je wordt is nogal wiedes haha, overduidelijk de zanger van Drukwerk.’
‘Nou, ik ben nu nogal dorstig,’ zei Harrie knipogend, ‘wil jij ook iets? Ik neem een juttersbittertje als slaapmutsje.’
‘Doe mij maar een koude chocomel.’
‘Meen je dat?’
‘Ik zou niet durven te liegen tegen je Harrie, je bent per slot van rekening geen kind meer…’

Advertenties doorgeplaatst vanuit Aalten Vooruit