Column De Buitenstaander
Column De Buitenstaander

Column De Buitenstaander, Rocco Ostermann

Opinie

Het koekje van Julio

Ooit reisde ik eens door Mexico en op een namiddag zat ik in een cantina en hoorde onmiskenbaar de zoetgevooisde stem van Julio Iglesias, de Don Juan van de Spaanse popmuziek. Ik heb een zwak voor hem. Hij was namelijk net als ik een veelbelovende doelman alvorens hij zijn geluk beproefde in de muziek. Julio vloog door het luchtruim boven de velden van Real Madrid. Ik fladderde boven de knollenvelden van de Graafschap te Doetinchem.

Toen al was het vrij duidelijk dat Julio beduidend meer platen zou verkopen dan ik. Aangezien het me wel eens opvalt dat populaire volkszangers soms teksten zingen die van zo’n niveau zijn dat er op hun cd’s voor bewustzijnsvernauwing gewaarschuwd zou moeten worden, of dat er, nog beter, een speciaal soort accijns op zou moeten worden geheven, vroeg ik me af waar het lied over ging, dat Julio zong.

Julio zong bibberend en larmoyant, alsof alle vrouwelijke leden van zijn familie spontaan dood waren omgevallen. Wat een gevoel had die man. In clips liep hij over een verlaten strand of langs de witte muren van een adembenemend mooi Spaans kasteel. Ooit stond hij naast Willie Nelson ‘To all the girls I loved before,’ te playbacken. Dat was destijds een grote hit. Willie keek daarbij peinzend in de camera alsof hij erectiestoornissen had en toen al een pot viagra per dag gebruikte. Maar hij was vast en zeker geïntimideerd door de mondiale rokkenjagerreputatie van Julio, de onvermoeibare Spaanse prijsstier. 

Maar goed, ik hoorde dus dat huilerig klinkende liedje en luisterde naar de tekst. Na een half jaar op Spaans geblokt te hebben, alvorens ik in Mexico-City aankwam, leek het alsof Julio net iets teveel woorden gebruikte die ik niet kende. Ik wenkte de ober en zei ‘Euh, Julio Iglesias.’
‘Siiii,’ antwoordde hij meteen enthousiast en maakte daarbij een soort van handbeweginkje dat ik nog nooit gezien had, maar waar wel uitstekend goedkeuring uit af te lezen viel.
‘Julio Iglesias,’ zei ik weer.
‘Siiiiiiiiii,’ antwoordde de kelner nu nog enthousiaster en riep naar de vrouw achter de kassa: ‘Conchita! Juuuuilliioooo!’
‘Siiiiiiii,’ ketste Conchita breeduit lachend terug.
Jeetje, dacht ik, het lijkt wel of ik hier met Manuel uit Fawlty Towers te maken heb. Ik bladerde wat door mijn geheugen en construeerde een zin waarvan ik hoopte dat die mijn vraag zou kunnen representeren. ‘Eu, el texto de Julio..?’
‘Siiiiiii??’
‘Euh ja, de que se... trata, esta, euh, cancion?’
Hij staarde me aan en zijn ogen leken spontaan waterig te worden. Hij keek alsof hij met zijn twee handen, mijn wangen wilde vastpakken, om me daarna vol op de mond te zoenen.
‘Esta es una cancion sobre una galetta!,’ kraaide hij het uit. Over een koekje?
Jazeker, het lied ging over een koekje, maar niet zo maar een koekje, nee, het ging over een koekje uit zijn geboortestad Madrid en Julio’s mama bakte de aller-állerlekkerste. Boh, wat sentimenteel dacht ik, maar ook, wat leuk. Het was oprecht.
‘Yo tambien los tengo,’ zei de kelner.
‘Que?,’ antwoordde ik op z’n Manuels.
‘Essas Galettas!’
‘De verdad?’
‘Siiiiii.’ Hij beweerde dus dat hij die koekjes ook verkocht. Zijn vrouw, een Madrileense, maakte ze zelf. Ik vroeg hem of hij me er twee wilde brengen.
‘Siiiii.’
Ik vroeg hem ook of hij, terwijl ik de koekjes dan zou oppeuzelen, dat liedje nog een keer wilde draaien. Terwijl ik de Spaanse smartlap hoorde en van z’n onderwerp genoot, nam ik me voor, na thuiskomst, een Achterhoeks nummer te schrijven over aardappelpannenkoekjes. Gebakken door mijn ma. Dat zijn de beste.

Advertenties doorgeplaatst vanuit Aalten Vooruit