Huib Papenhuizen aan het woord in de Westerholtzaal van kasteel Hackfort. Foto: Robbin van Turnhout
Huib Papenhuizen aan het woord in de Westerholtzaal van kasteel Hackfort. Foto: Robbin van Turnhout

‘Nooit meer concurreren’: een vurig pleidooi voor samenwerking

Maatschappij

VORDEN - Huib Papenhuijzen en Jan Terlouw zijn geen concurrenten. Integendeel. Ze vulden elkaar donderdag in kasteel Hackfort naadloos aan, versterkten elkaars betoog. Vordenaar Papenhuijzen (74) gaf een lezing, te beschouwen als een samenvatting van zijn nieuwe boek Nooit meer concurreren, Twellonaar Terlouw (90) reageerde erop: “Het boek is buitengewoon actueel.”

De twee – beiden even geletterd als bevlogen – gaven concreet inhoud aan wat volgens Papenhuijzen het broodnodige alternatief is voor ‘elkaar doodconcurreren’: samenwerking. Zo eenvoudig als het klinkt, zo moeilijk blijkt het in de praktijk waar te maken. Hoewel: voordat mensen zich als landbouwers en grondbezitters settelden, een jaartje of 25.000 geleden, waren zij – en hun aapachtige voorouders – miljoenen jaren het toonbeeld van groepsgewijze samenwerking geweest. Ze namen zogezegd zeer uitgebreid de tijd om zich te ontwikkelen tot slimme en (letterlijk) handige wezens. Die in de savanne te midden van vervaarlijke vijanden als roofdieren enerzijds en honger en dorst anderzijds overleefden. Aldus het betoog van Papenhuijzen. “Al in een zeer vroeg stadium leerden onze voorouders, ongetwijfeld met vallen en opstaan, hoe ze werktuigen als vuurstenen bijlen konden maken.” 

Uit opgravingen blijkt dat het eerste wapen – een middel om niet de gevaren van buiten, maar elkaar onderling te bestrijden – de knotskop – pas dateert van nadat mensen het rondtrekken hadden ingeruild voor vaste woonplaatsen. “Toen ging de mens zijn positie, zijn macht verdedigen. De scepter, het symbolisch attribuut van heersers, is een afgeleide van die knotskop.” De introductie van dit wapen markeerde volgens Papenhuijzen in feite “het einde van de beschaving”. De verschrikkelijkste uitwas van macht en het absolute tegendeel van beschaving: slavernij. Papenhuijzen raakte zichtbaar geëmotioneerd toen hij dat aan de orde stelde.

Kleinzoon
Om even een flinke sprong in de tijd te maken, naar het heden, en ook maar meteen door naar de toekomst: “Hoe nu verder?” Een vraag die vanuit het publiek werd gesteld door, niet toevallig, een kleinzoon van Huib Papenhuijzen. Jan Terlouw had zojuist “het belang van onze kleinkinderen” aangeroerd. Dat dát het richtsnoer moet zijn bij politieke beslissingen “en niet de angst om minder kiezers te trekken”. Het ophemelen van het concurrentiedenken heeft er ook toe bijgedragen dat “we het verschil tussen goed en kwaad uit het oog verliezen”. “En dat is voor mij toch het wezen van de mens: dat hij het verschil kent tussen goed en kwaad.” Tot zover Jan Terlouw.
Terug naar Kick, de kleinzoon van de auteur: “Hoe nu verder, hoe zie je dat voor je?”

Zijn grootvader had kunnen antwoorden: Lees het boek. Kick werkte daar trouwens aan mee, net als andere familieleden, hij leverde tekeningen aan. En grootmoeder Jacinthe, Huibs echtgenote, was de presentator van de bijeenkomst in de kasteelzaal. Een staaltje samenwerking dat in wezen de oplossing is voor het uiteenvallen van de maatschappij door marktdenken. Onze verre, verre voorouders trokken in groepjes rond, vergelijkbaar met (grote) gezinnen, en deelden alles wat er te delen was met elkaar. Papenhuijzen refereerde aan de Bosjesmensen, over wie hij eerder publiceerde. “Niemand is daar de baas over de anderen, niemand speelt er op de man.”

Maar bestaat het, heeft het kans van slagen, het opgeven van alle concurrentiestrijd om plaats te maken voor het samenwerken waaraan de mensheid van origine haar succes te danken heeft en dat (opnieuw) onze redding kan zijn? Kunnen de mensen zich uit de huidige crisis-keten ontworstelen? Kunnen ze bijvoorbeeld het – door Terlouw benoemde – razendsnelle uitsterven van dieren en planten (“sneller dan ooit tevoren”) nog een halt toe roepen?

Anticiperen
Papenhuijzen: “Ook zonder mensen gaat de planeet door. Er overleven heus wel wat eencelligen in de oceaan en dan ontstaan weer nieuwe soorten.” Maar toch: “Zover hoeft het niet te komen. We zijn als mens slim genoeg om te anticiperen.” Dan moeten we dat natuurlijk wel dóen.

Niet alléén, niet door de ander weg te willen duwen. “Concurreren helpt ons om zeep.” Nee: samen, dat is de enige manier. Dat was het antwoord van de grootvader aan zijn kleinzoon: “Samenwerken lukt al met z’n tweeën. En het maximum aantal is onbegrensd.”

Huib Papenhuijzen: Nooit Meer Concurreren - Onderzoek naar de balans tussen samenwerken en concurreren tijdens de menselijke evolutie. Uitgegeven via Boekscout.

Advertenties doorgeplaatst vanuit Aalten Vooruit